Van de OR’en met een organisatiegraad lager dan 10%, heeft 60% nooit contact met een vakbondsbestuurder. En is de organisatiegraad in de OR meer dan 65%, dan heeft maar 13% nooit contact. Ook als er wel contact is, komt dat verschil naar voren. OR’en met een hoge organisatiegraad scoren met name op 3 tot 5 contacten per jaar bovengemiddeld (33% tegenover 24% gemiddeld), terwijl OR’en met een lage organisatiegraad daar maar de helft van het gemiddelde scoren: 12%.
Ook is de grootte van het bedrijf van invloed op het aantal contacten. Hoe meer werknemers, hoe vaker er contact is met een vakbondsbestuurder. Kijken we bijvoorbeeld naar de groep die 6-11 keer per jaar contact heeft met de bestuurder, dan bestaat die voor 35% uit 1000+ bedrijven en voor 24% uit organisaties met 100-250 medewerkers. De eerste groep scoort daarmee bovengemiddeld, en de tweede ondergemiddeld.
Opvallend is het geringe contact over de CAO. Nog geen derde wordt betrokken bij het vooroverleg, en slechts 16% krijgt het resultaat voorgelegd. En zelfs hulp of advies bij de invulling van CAO-afspraken komt maar in 23% van de gevallen voor, terwijl dit toch juist een onderwerp is waar bonds- en OR-werk elkaar overlappen. Sterker nog, de decentralisering van arbeidsvoorwaarden wordt vaak genoemd als belangrijkste reden voor het partnerschap van beide organen. Vakbonden maken globale afspraken in raam-CAO’s, die ondernemingsraden invullen op bedrijfsniveau. Het kan natuurlijk zijn dat ondernemingsraden helemaal geen advies en begeleiding nodig hebben. Maar dat blijkt niet het geval. Twee derde van de ondernemingsraden die contact heeft met de vakbondsbestuurder, zegt dat contact nodig te hebben om het OR-werk goed te kunnen doen. Daarvan noemt 58% invulling van CAO-afspraken als onderwerp waarvoor dat geldt. En ook vakbondsbestuurders zeggen in de enquête in Zeggenschap in grote meerderheid (68%) dit een belangrijk onderwerp te vinden in hun contact met OR’en. Beleving en werkelijkheid lopen hier dus ver uiteen.
Het blijkt dat de contacten vooral gaan over advies- en instemmingsplichtige onderwerpen. Gezien het grote aantal respondenten dat hier zelf reorganisaties en sociaal plannen heeft ingevuld, lijken dit de onderwerpen waar het meest contact over is. OR’en geven ook aan dat de steun van de bond hier het belangrijkst is. Ook noemt 89% van de vakbondsbestuurders reorganisaties en sociaal plannen als belangrijkste onderwerpen om contact te hebben. Op typische OR-onderwerpen, zoals arbobeleid en relatie met het management, en typische vakbondsonderwerpen, zoals acties/stakingen en belangenbehartiging, hebben beide organen elkaar minder nodig.
Over het algemeen zijn de ondernemingsraden tevreden over hun vakbondsbestuurder, zoals uit tabel 11 blijkt. Als ze hem nodig hebben, staat hij klaar. Dit komt overeen met wat de vakbondsbestuurders zelf vinden (tabel 12). Toch blijkt in ongeveer één op de tien gevallen dat de ene partij denkt dat er bij de ander geen behoefte is aan contact: waar 13% van de OR’en denkt dat de bondsbestuurder geen interesse in de OR heeft, zegt 10% van de bestuurders dat de OR geen behoefte aan contact heeft.
Naarmate het bedrijf groter is, is er vaker informeel contact, zo blijkt. Van de respondenten die zeggen informeel te overleggen, behoort 37% tot een organisatie met meer dan 1000 werknemers. Maar het is niet zo dat vermeende desinteresse van vakbondsbestuurders alleen voor kleine bedrijven geldt: 26% van de respondenten behoort tot een 1000+-organisatie.













