Wie echter naar de werkelijke zeggenschapsverhoudingen in organisaties kijkt, komt een veel complexer plaatje tegen. In de meeste gevallen zijn er naast de bestuurder nog een keur aan andere individuen die het beleid bepalen of ten miste medepalen. Een bekend voorbeeld hiervan is de bestuurder die wordt aangestuurd door “het hoofdkantoor”. Dan heb je als or eigenlijk te maken met een tussenmanager waar bij je voor echte invloed meestal een stapje hoger moet. Hier heeft de wetgever in voorzien door in art. 24 (algemene gang van zaken) de “baas van de baas” een rol te geven in het medezeggenschapsproces. Niet iedere or maakt hier voldoende gebruik van.
Er is echter ook een andere groep personen waar de bestuurder zijn of haar macht mee deelt. Je kunt immers als bestuurder namelijk niet alles in je eentje. Bestuurders zijn daarom afhankelijk van andere professionals in de organisatie. Deze professionals geven raad, werken het beleid uit en zorgen voor de feitelijke aansturing in de organisatie. Veel invloed bij beleidskeuze en de feitelijke uitvoering daarvan, ligt dus bij de functionarissen vlak onder de bestuurder (o.a. MT-leden of belangrijke staf functionarissen) en niet zelden ook weer bij de laag daaronder (beleidsmedewerkers en middenkader). Zij vormen gezamenlijk de kaders die de organisatie in de praktijk het meeste kleuren.
Wie dus echt invloed wil, kijkt niet alleen naar de gesprekspartners die de WOR noemt(de bestuurder en de “baas” van de bestuurder), maar gaat ook eens buurten bij de lagen die daaronder liggen.





