Op het eerste gezicht staat het inburgeringsprogramma mijlenver van de ontwikkelingen in de medezeggenschap. Het gaat in de medezeggenschapsscholing allereerst niet om scholing van het hele personeel of van alle nieuwkomers. We koesteren verder de vrijheid van ondernemingsraden en instituten, en we moeten al helemaal niets hebben van toelatingsexamens. Maar blijft dat wel zo? In 2007 heeft het GBIO vijftien ondernemingsraden een tijdlang gevolgd. Bij de presentatie van het rapport constateerde GBIO-directeur Bruno van Rijsingen dat bestuurders wel meer verwachten van de or, “maar dat niet vertalen in actieve betrokkenheid bij de deskundigheidsbevordering. Eerder wordt er zuinigjes gekeken bij de investering in tijd en budget. De bestuurder zou de or eigenlijk moeten dwingen!” Daaruit blijkt de wens om eisen te stellen, en natuurlijk ook middelen te geven. En draait participatie niet om gemeenschappelijke taal van alle werknemers. Waarom experimenteren we eigenlijk in de medezeggenschapsopleidingen met certificering? Het belangrijkste verschil tussen inburgering en medezeggenschapscholing is dat het behalen van het inburgersexamens selecteert tussen de mensen die wel worden toegelaten en degenen die worden afgewezen. Maar er vinden al jaren discussies plaats over de vraag of er aan or-leden geen bekwaamheidseisen moeten worden gesteld.
Zo’n tien jaar is er gewerkt met een wet die een brede maatschappijoriëntatie voorstond. Die was verbonden met maatschappelijke ondersteuning en behoud van eigen identiteit. Niet het resultaat stond voorop, maar de verplichting 600 uur aan taal en maatschappijoriëntatie te volgen. De grote nadelen van zo’n vrijblijvend stelsel zijn al veel eerder gebleken. Deze gebreken zijn ook te herkennen in de or-scholing. De nieuwe regelgeving heeft dat bij de inburgering allemaal veranderd.
Vanuit oogpunt van de inburgeraars moeten er aanvullingen worden gemaakt. Na het examen moeten ze immers nog hun weg zien te vinden, terwijl de ondersteuning volgens de Wet inburgering dan ophoudt. Na de taal en oriëntatie op de samenleving begint het vinden van een eigen plaats in de samenleving pas. Daar is een belangrijke aanvulling voor trainers te vinden. Het inburgeringsprogramma gaat uit van eisen die de maatschappij stelt, functionele eisen. Dat is prima, ook voor trainers in de medezeggenschap. Die aanpak bestaat uit het presenteren van vooropgezette situaties met goede en foute antwoorden. Maar samen met testen en toetsen leidt die aanpak eerder tot gelijkvormigheid en aanpassing dan tot uitdaging en verandering. De oude opzet vanuit het multiculturele centrum Forum zocht naar ontwikkelingsgerichte doelen. Die aanpak leidde eerder tot hulpverlening dan tot voorbereiding op een nieuwe situatie. De vraag is dus hoe trainers tussen die twee klippen kunnen varen: echt werken aan de ontwikkeling van mogelijkheden zonder in oude vrijblijvendheid terug te vallen.












