Op 1 april 2004 is voor medewerkers van de ambulancedienst op basis van een paraatheidsplan een nieuw dienstrooster ingevoerd. Als gevolg hiervan vermindert voor hen het aantal overuren en de overwerktoeslag en vervalt de vergoeding voor de zogenaamde eerste dienst. Dit leidt tot een teruggang in salaris van ongeveer € 450 tot € 700 bruto per maand. Om de inkomstenteruggang op te vangen is door de ambulancedienst een salarisgarantieregeling ingevoerd. Die regeling is slechts van toepassing verklaard op die medewerkers die op 31 december 1999 in dienst waren. Twee ambulancechauffeurs die op 1 maart 2000 en 1 januari 2001 in dienst zijn getreden, hebben de rechter verzocht te verklaren voor recht dat zij met terugwerkende kracht aanspraak kunnen maken op de salarisgarantieregeling en dat het achterstallige loon dient te worden nabetaald. Hierbij doen de ambulancechauffeurs een beroep op de AWGB en de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter te Terneuzen wijst de vorderingen af, nu sprake is van een voldoende objectieve rechtvaardigingsgrond. De werknemers gaan hiertegen in hoger beroep.
Oordeel Gerechtshof
Het hof oordeelt dat geen sprake is van direct of indirect verboden onderscheid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden op grond van de AWGB. Immers, het onderscheid waarvan hier sprake is, namelijk ongelijke beloning, betreft geen wettelijk verboden onderscheid dat door de wet of een rechtstreeks werkende internationale verdragsbepaling verboden is. In artikel 1 AWGB wordt namelijk onderscheid verdeeld in direct en indirect onderscheid, waarbij gedefinieerd staat dat onder direct onderscheid onder andere valt het onderscheid tussen personen op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid en ras. Tevens wordt in de AWGB indirect onderscheid gedefinieerd als het onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan zojuist gedefinieerd, maar dat wel direct onderscheid tot gevolg heeft. Het hof oordeelt dat niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van direct of indirect onderscheid. Naar aanleiding hiervan concludeert het hof dat er dan ook geen sprake is van een verboden onderscheid op grond van de AWGB.
Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of er wel sprake is van een ongeoorloofd onderscheid op grond van de eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Het hof dient te oordelen of het verschil in beloning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof oordeelt dat niet in geschil is dat het nieuwe paraatheidsplan heeft geleid tot aanpassing van de financiële en niet-financiële arbeidsvoorwaarden van alle medewerkers van de ambulancedienst. Het enige verschil is dat de tijdelijke compensatieregeling voor de teruggang van de salarissen niet geldt voor de medewerkers die na 1 januari 2000 in dienst zijn gekomen. Het hof acht het tijdelijke verschil in beloning, gezien de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Commentaar
Er is in Nederland diverse wetgeving die bepaald onderscheid verbiedt. Denk bijvoorbeeld aan onderscheid op grond van leeftijd, geslacht, chronische ziekte of handicap. Er is echter geen discriminatieverbod dat ongelijke beloning verbiedt. Ongelijke behandeling is alleen niet toegestaan als het onderscheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Werknemers dienen van goeden huize te komen om de toets van het zwaardere criterium van redelijkheid en billijkheid te doorstaan en op basis daarvan hun vorderingen betreffende gelijke beloning toegewezen te krijgen. Het hof is in ieder geval in deze zaak van mening dat de spreekwoordelijke uitdrukking ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, voor de twee ambulancechauffeurs niet opgaat.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 17 augustus 2007, LJN BB4526, nr. 2007/195












