De BVMP formuleert in zijn brief aan de demissionnaire minister vijf aanbevelingen.
De vereniging vindt het niet nodig de WOR aan te scherpen voor het geval er in een convenant afspraken worden gemaakt over de definitie van het begrip ‘belangrijk’ in verband met het al of niet adviesplichtig zijn van voorgenomen besluiten. De vereniging is van mening dat dit voldoende uitgekristalliseerd is in de praktijk.
De medezeggenschapsprofessionals zijn het erover eens dat er duidelijke regels moeten komen voor de manier waarop een convenant kan worden opgezegd. Een opzegtermijn van zes maanden achten zij redelijk.
De or zou bij zijn achterban moeten controleren of hij mandaat heeft voor het sluiten van een convenant als het gaat om ingrijpende organisatiewijzigingen of betrokkenheid van de or bij de arbeidsvoorwaardenvorming. De BVMP vindt het kabinetsstandpunt in deze te vrijblijvend en kondigt aan in september met nader advies te komen.
In art. 32 lid 2 wordt alleen gesproken over convanten tussen ondernemer en or. Het is gebruikelijk, met name bij fusies, dat er ook andere partijen bij betrokken zijn. Het is onduidelijk of zij ook partij zijn in geval van een geschil over de naleving van het convenant. Momenteel kan een geschillenprocedure daarom op basis van art. 36 WOR worden gevoerd en/of op basis van het civiele overeenkomstenrecht. De BVMP adviseert de WOR zodanig aan te passen dat duidelijkheid ontstaat over de juridische context.
Ten slotte benadrukt de BVMP nogmaals dat zij het geen goede zaak vindt dat er middels een convenant kan worden afgezien van bevoegdheden. Dit draagt niet bij aan een goede uitoefening van de functie van medezeggenschap, aldus de vereniging.




