Pensioenvoorzieningen berusten in de meeste gevallen op drie pijlers. De eerste is het overheidspensioen, ofwel het basispensioen. In Nederland is dit de AOW. Het pensioen van de overheid is veelal gebaseerd op een omslagstelsel, waarbij lopende pensioenuitkeringen worden betaald uit lopende premie-inkomsten. Dit stelsel bouwt geen reserves op.
De tweede pijler bestaat uit de arbeidsgebonden collectieve pensioenen. Werknemers staan een deel van het salaris af als pensioenpremie. De werkgever draagt dit over aan een pensioenuitvoerder.
De derde poot omvat de individuele verzekeringen die pensioen uitkeren, eventueel in combinatie met een lijfrenteverzekering. De laatste twee stelsels zijn zelffinancierend, waarbij de deelnemers pensioenaanspraken opbouwen via ingelegde pensioen- en verzekeringspremies.
Pensioenfondsen beleggen het geld dat zij via de werkgevers ontvangen. Het behaalde rendement op deze beleggingen moet ervoor zorgen dat met de inleg van nu, de werknemer later een percentage van zijn gemiddelde salaris als pensioen ontvangt. Fondsen beleggen in onder meer aandelen, onroerend goed en staatsleningen.
Internationale verschillen
Internationaal verschillen de pensioenstelsels nogal van elkaar. Het belang van de drie pijlers kan per land enorm uiteenlopen. Het overheidspensioen is in bijna alle eurolanden het belangrijkst. In Griekenland, Oostenrijk, en Luxemburg bestond de pensioenvoorziening per eind 2008 zelfs geheel uit staatspensioen.
In Nederland zijn de tweede en derde pijler even belangrijk als het basispensioen, blijkt uit gegevens van De Nederlandsche Bank (DNB). In het Verenigd Koninkrijk zijn de uitkeringen uit de tweede en derde pijler zelfs verreweg het grootst en het overheidspensioen het kleinst. In Finland bestaat geen staatspensioen en is de oudedagsvoorziening geheel gebaseerd op particuliere stelsels.
Ook de verhouding van de pensioenuitkering tot het laatst verdiende loon verschilt internationaal aanzienlijk. Uit gemiddelden over het jaar 2008 bleek dat een aantal landen, waaronder Frankrijk, Duitsland, Portugal en Finland, lang niet de gangbare streefwaarde van 70 procent halen. In Nederland bereikte de pensioenuitkering volgens gegevens van de OESO zo’n 80 procent van het salaris.
Daarentegen haalden landen als Griekenland, Luxemburg, Spanje en Oostenrijk die streefwaarde alleen al met het basispensioen. In Griekenland waren de pensioenuitkeringen vergeleken met de andere Europese landen relatief gezien het hoogst met een percentage van 95 procent van het laatst genoten inkomen.
Bron: ANP
|
| |
|---|---|
| Bent u verantwoordelijk voor het pensioenbeleid van uw organisatie? Dan is de Praktijkgids Pensioenen Online een onmisbare hulp. De toepassing van wettelijke rechten en plichten staat centraal en u krijgt tal van handige tips en voorbeelden die ontleend zijn aan de dagelijkse praktijk. Meer informatie |













